Watersnoodmuseum Ouwerkerk

Laat een reactie achter

Het museum is gevestigd in de vier Phoenix caissons die gebruikt zijn om het laatste gat in de dijk te dichten dat ontstaan was bij de watersnood ramp van 1 februari 1953: 1835 mensen zijn bij die ramp omgekomen en de verwoesting was groot.

Als je nu aan komt rijden door Ouwerkerk valt je in een van de straten het rijtje houten noodhuizen al op: in het museum leer je dat dat om Deense woningen gaat. Zo’n huis kostte toen f 15.000, ze waren grotendeels afkomstig van de Scandinavische landen en er zijn er honderden neergezet overal in Zeeland.

Ten zuiden van Ouwerkerk is een mooi stukje natuur: de kreken die toen overgebleven zijn.

In eerste instantie ziet het museum zelf er van buiten afschuwelijk lelijk uit: een bunker. Later leer je dat je nu door de caissons loopt die daadwerkelijk negen maanden na de ramp het ontstane gat afsloten. Dan kijk je er ineens anders tegenaan: dat is inderdaad heel erg passerend.

Negen maanden! Ik heb me niet eerder gerealiseerd dat het allemaal nog zolang duurde voor er weer een redelijk normaal leven mogelijk was, afgezien van alle persoonlijke ellende natuurlijk. Er wordt ook ene film gedraaid -oude Polygoon journaals  waarin je ziet dat een jaar na de ramp er nog veel zand en slib op de vroegere vruchtbare akkers van Schouwen-Duiveland.

Wat een verwoesting, het is dus echt niet over als het water weg is….

Elk caisson is ingericht rond een thema, chronologisch van de nacht zelf in de eerste caisson naar de emoties, de redding,  het herstel en de problemen van nu en de plannen voor de toekomst in de laatste.

Het is eigenlijk heel mooi en passend naar het thema ingericht . Van sober en somber (de storm nacht met een paar artefacten -dat horloge van die mevrouw bijvoorbeeld) naar helder, licht en vol opstellingen en simulaties waar de kinderen wat mee kunnen doen.

Er is een multimedia hal met daarin een lopend pad met in licht geschreven namen van de omgekomenen. Daarbij wordt over elke persoon iets verteld. Helaas functioneerde het technisch niet zo goed, maar het was toch erg imposant.

Een aanrader dit museum.

Onderwijsmuseum – Educatorium te Ootmarsum

1 Reactie

In een vakwerkhuis aan de Keerweer te Ootmarsum is het Educatorium gevestigd.  Over de geschiedenis van het museum zelf kom je op hun website weinig te weten: die website zou wat uitgebreider mogen zijn. Er is nu een expositie: 120 jaar tekenonderwijs.

Ze hebben een mooie collectie schoolplaten: van Jetses (Het volle leven), Isings (geschiedenis), Koekoek (dieren) en van Van Lummel.   In een bovenzaaltje draait een film waarin Isings wordt geïnterviewd: hij is gestorven in 1977, dus een al wat oudere film. Frappant aan de platen van Isings was dat de figuren allemaal een beetje op hem leken. Volgens hemzelf kwam dat omdat hij, als hij aan het aquarelleren was, steeds in de spiegel keek om uit te zoeken hoe het met de lichtval zat.
Jetses en Isings kenden elkaar, maar toch is de sfeer op hun platen heel anders.

Diverse leesplankjes zijn er te zien: het leesplankje van Hoogeveen ligt eraan ten grondslag. Leesplankje van HoogeveenDe bekendste daarvan is de Aap-Noot-Mies versie van Ligthart (en getekend door Jetses) geworden. Er was ook een katholieke variant ontwikkeld door de Tilburgse frater Euthymius Becker (aap, roos, zeef, muur, voet, neus, lam, gijs, riem, muis, ei, juk, jet, wip, does, hok, bok, kous) Maf. De Weide en de Schapen mochten blijkbaar niet.

Er zijn een paar ingerichte klaslokaaltjes: op aanvraag kun je die huren om er les te krijgen, in een 17e eeuwse ambiance compleet met plak en al.

Er was een schoolbibliotheek maar die zat tot mijn verdriet op slot. Je kon wel om de sleutel vragen, maar daar er een hele klas op bezoek was heb ik dat maar niet gedaan. Maar toch wringt dat … De kinderen waren trouwens heel enthousiast op speurtocht.

Veel inktpotten en handwerken. Een ladekastje met stempels.

Het was leuk en veel herkenning: schoolboeken, rapportboekjes, de methode ‘Een goede hand in Nederland’ -echt mooi leren schrijven heb ik er nooit mee- , blinde wandkaart en stempel met de provincie.

Toch misten we een aantal dingen, misschien waren ze er wel, maar hebben we ze over t hoofd gezien. Al pratende kwamen we op een paar zaken die we nog meer hadden willen zien, en die ik maar even opsom, misschien heeft iemand nog wat liggen 😉  ;

  • aanwijsstokken
  • bordenwissers
  • diverse dozen van caran d’ache (niet alleen de kleurpotloden, ook de dozen zelf hebben een ontwikkeling doorgemaakt)
  • schoolklokken
  • sponzen doosjes
  • inktlappen
  • stempelkussens
  • krijtjes – wasco

Een paar tips:

  • er waren wel veel schoolbanken, maar vaak in slechte staat: laat er dan minder zien, knap ze op -inktpotjes in de banken- en zorg dat ze er goed uit zien
  • filmprojectoren zaaltje: nergens zat een celluloid film in, er waren ook geen blikken met films. Daar moet toch niet zo moeilijk aan te komen zijn, zeker als ze niet echt hoeven te functioneren
  • de kasten waarin de schoolplaten werden opgeborgen worden nu als tafeltje gebruikt: zo kun je niet zien dat ze aan de bovenkant en aan de voorkant open gingen. Zou aardig zijn er eentje zo op te stellen

Zie verder:

Museum de Pelgrim

Laat een reactie achter

Het Rijke Roomse Leven (ca 1860-1960) heeft een verbazingwekkende hoeveelheid beelden en beeldjes, voorwerpen en rituelen, zeg maar religieus-culturele uitdrukkingsvormen voortgebracht. Die zijn enthousiast verzameld door Toos Achterweust-Siegerink -ze werkt er nog steeds aan- en die verzameling is overgedragen aan de Stichting Ondersteuning Religieuze en Culturele Uitdrukkingsvormen en vormt nu de basis van het museum De Pelgrim.  Het museum is gehuisvest in twee kleine ‘armenhuisjes’ in Oldenzaal en staat propvol met van alles en nog wat.  Museum De Pelgrim toont veel meer voorwerpen dan alleen die items die betrekking hebben op Lourdes, Kevelaer of Santiago, hoewel die er natuurlijk ook volop zijn.

Bij binnenkomst zie je meteen een paar vitrines met voorwerpen die echt op de pelgrimstochten betrekking hebben. Maar verder ook lades met plaatjes, een kast met kazuifels en oude boeken en tijdschriften. Aan de wand hangen wandplaten en vaandels, overal staan beelden.

Voorwerpen die betrekking hebben op levensfasen zijn bij elkaar gezet: huwelijk, geboorte, ziekte, sterven en dood. Een vitrine met voorwerpen gebruikt tijdens de mis.

Verderop in dit museum ladenkasten vol met sieraden -wat te denken van een armband vol hoofden van heiligen- , prentjes, vingerhoedjes, postzegels etc.
Niet te vergeten de missie: planken vol met allerlei blikjes om geld te verzamelen, en denk aan het -nutteloze- verzamelen van zilverpapier en melkdoppen.
Wijwaterbakjes en rozenkransen, inclusief suggesties hoe die goed te gebruiken.
Letterplankjes en schoolspullen.

Je vindt er veel boeken met regels, rechten, plichten, voorschriften, catechismus, bijbels, heilige levens, etc.

Op het binnenplaatje naamborden met verwijzingen naar religieuze woorden als kerkstraat en St Jozefstraat. In het voortuintje planten als Monnikskap.

Als je nadenkt is het inderdaad een hele cultuur die doordrenkt was met dit soort voorwerpen. Als je alles bij elkaar ziet dan valt het op dat het zo kitscherig is: zonder iemand te willen kwetsen is dat eigenlijk bij elke volks-uiting van religie zo.

Het was er heel erg vol, en ik denk dat de collectie echt wel waard is om naar een groter pand te verhuizen, of een pandje erbij te krijgen. Sympathiek is ook dat je in veel boekjes kunt bladeren: je kunt er dichtbij komen.

Het is ook niet echt kunst, maar meer een uiting van volkscultuur, en het is goed dat het bewaard wordt, en zonder iemand voor het hoofd te willen stoten,  dit is ook precies de plaats voor het Rijke roomse leven: het museum.

Steenfabriek De Werklust

1 Reactie

RuimDe werklust een eeuw is hij in productie geweest, voor hij in 1999 tot Rijksmonument werd uitgeroepen: de steenfabriek De Werklust in Losser. In een aantal opzichten is deze steenfabriek bijzonder: van deze is nog alles over en bovendien ligt hij niet aan een rivier maar aan een groeve. De ringoven is ook bijzonder, maar kan alleen niet meer functioneren, oa omdat er een lift is ingebouwd voor het bezoek. De machines mogen van de arbeidsinspectie ook niet meer werken, maar in principe doet alles het nog.
Het is een groot terrein met in het midden een 45m hoge schoorsteen bij de ringoven, aan de zijkanten droogloodsen, midvoor de vormloods en even verderop de 26m diepe  keileemgroeve.

Als je aan komt rijden is het eerste wat je ziet een smalspoor langs de weg: daarover rijdt een dieseltje van en naar de kleigroeve: vroeger met kipkarretjes keileem, nu met toeristen.
Er is tweemaal per dag een rondleiding, maar dat staat niet op de info die je van de VVV krijgt, en ook niet -duidelijk- op de website. Ze hebben een klein beetje inkomsten uit rondleidingen: behalve dat verhuren ze de ruimte ook voor bruiloften en partijen, zijn ze uitvalbasis voor allerlei activiteiten als boerengolf en boogschieten, en worden er vliegdemonstraties met uilen gehouden. Maar ze drijven op vrijwilligers en de toekomst is onzeker.

De fabriek is lang eigendom geweest van de familie Osse: vandaar werden de stenen Osse-stenen genoemd. Ze hebben een bijzondere kleur door de manier van bakken in de ringoven en de samenstelling van de klei, maar ze worden niet meer gemaakt dus.

Vanwege haar ouderdom en diepe ligging kent de klei uit deze groeve weinig organische verontreinigingen. Zij kan daarom direct worden verwerkt en hoeft geen rottingsproces op een kleibult te ondergaan, zoals bij andere steenfabrieken gebruikelijk is.

Vlak na de oorlog kostte een steen f 1,50.

Toegang tot de oven

Toegang tot de oven

Als zo’n kipkarretje kwam aanrijden met keileem, werd het gestort en gemengd met water en kalk (misschien wel die muschelkalk uit de Achterhoek), gereinigd -er zaten nogal eens fossielen in- en in vormpjes gedaan. Aanvankelijk met de hand, later half-machinaal. Dat gebeurde in de lente, zomer en herfst. De zo gevormde ‘stenen’  (groenlingen) werden te drogen gelegd tot de winter en regelmatig met de hand gedraaid.
In de winter ging de oven aan -aangemaakt met hout en via steenkolen op 1100 graden gehouden-, daarin werden de stenen op een bepaalde manier opgestapeld in een aantal kamers (er waren er 18). Gedurende een week of drie werden ze dan gebakken: door toevoegen van kolen en open en dichtmaken van schuiven werd het vuur langzaam -en tegen de klok in- rondgeleid door de over. Met recht via een ‘lopend vuur’ dus. zo’n rondgang langs alle kamers duurde 3 weken. Ondanks dat ze een half jaar of meer te drogen waren gelegd, zakte de stapel stenen nog ca 10 cm in door verdamping van het vocht: als de 10 cm bereikt was, dan wist men dat de stenen klaar waren, de kamer was dan ‘gaar’.
De oven had een capaciteit van 1,5 miljoen per jaar, eigenlijk helemaal niet zoveel.

Het is een arbeidsintensief proces: ik stond ervan te kijken dat alleen in de winter werd gebakken. Toen de fabriek nog in bedrijf was, werkte er maar 12 mensen.

Je kunt nu door de over lopen: hij is ongeveer 2m hoog aan de binnenkant, een deel van de oude binnenbekleding is geglazuurd geraakt in een soort druippatroon door het zout dat in de bodem zat.
Via gaten in het plafond gooide de stoker kolen naar beneden om de temperatuur goed te houden: bovenop de oven zie je wielen waarmee je de kleppen om de zuurstof toe te voeren bedient. Er was maar 1 iemand nodig om dat aan de gang te houden, maar die moest heel goed verstand van zaken hebben.

Op de website staat een beschrijving van het proces en de keikleemgroeve onder het kopje ‘museum’.

Zie ook

Ik vond het fascinerend. Gemeente Losser: wees er zuinig op!

Landgoed Singraven

2 Reacties

Aan de  Dinkel bij Denekamp ligt Singraven: een landgoed met een havezate (huis), watermolen, koetshuis, tuinen, Arboretum en pachtboerderijen. Het heeft vele eigenaren gehad die er van alles aan veranderd hebben. De laatste eigenaar (Willem Laan) heeft het helemaal opnieuw ingericht en overgedragen aan de Edwina van Heek stichting, een stichting voor culturele doeleinden. Met de bedinging dat het in deze stijl gehandhaafd moet blijven en beperkt opengesteld moet worden voor publiek.Watermolen Singraven

Via het heffen van toegang en de verhuur voor bruiloften komt er wel geld binnen, maar het onderhoud van zo’n landgoed is erg duur.

De watermolen is nog in bedrijf: gedeeltelijke als molen en gedeeltelijk als restaurant, en is een aantrekkelijk foto- en schilder object.

De omgeving is er ook prachtig. De tuinen zijn in Britse stijl (romantisch zeg maar, met bruggetjes en slingerpaden) en het Arboretum is alleen toegankelijk in groepen van 10 op afspraak.

Op dinsdag en woensdag zijn er rondleidingen door de stijlkamers van het huis: Laan verzamelde met name porselein en meubels uit de 17 en 18e eeuw.
Allerlei soorten porselein: Berlijns, Meissen, chine-de-commande. En meubelen waaronder een aantal tamelijk zeldzame in de boulle techniek.

Als je in het huis komt, merk je dat de kamers er van plezierige afmetingen zijn: ze kloppen qua hoogte en formaat, en zijn niet -zoals veel van deze huizen- veel te hoog, of te groot.  De enige kamer die eigenlijk naar mijn smaak te smal is, is zijn werkkamer. Dat is ook de enige die nogal deprimerend is qua kleur en inrichting trouwens.

Eigenlijk is het niet echt een bewoond huis: het zijn een aantal pronkkamers bij elkaar. Volks als ik ben, miste ik ook de badkamer en de keuken: het zou interessant zijn om te zien hoe die er in die tijd uit zagen. Maar daar zie je -behalve een kastje voor een nachtspiegel voorzien van een bodem van marmer tegen t spatten- niets van.
Er is een gele kamer ingericht als slaapkamer, maar die is nooit gebruikt. Volop serviezen overal, maar ook alleen voor de show, niet om te gebruiken.

Laan verzamelde veel schilderijen zoals die van de pluimvee specialist Melchior d’Hondecouter, en die zijn, net als de stillevens met citroenen (van Heem) vast heel knap, maar ik geef er niet om. Er was wel een heel mooi schilderij van een van de vorige eigenaressen: een mooie vrouw met verdrietige ogen, maar daar stond verder geen naam van de schilder bij.

Wat me meteen voor de man innam is zijn bibliotheek: hij hield van leren bandjes en liet alle boeken die hij had opnieuw voorzien van een leren rug met goud opdruk, en goud-op-snee aan de bovenkant. Ook weer: voor het aanzicht. Hier hangt ook een stilleven met boeken trouwens.

Willem Laan verzamelde gewoon waar hij zin in had en stelde dat ten toon.

Tijdens de rondleiding hadden we nog een kleine discussie over het porselein en de kwalificatie ‘mooi’, en een van de dames zei treffend: ‘het is mooi in dit huis, maar ik hoef het niet in het mijne’.

Zie verder

Het Zoutmuseum in Delden

Laat een reactie achter

Onder de rook van Hengelo ligt een aardig plaatsje: Delden. Er ligt daar een enorm landgoed – Twickel – waarvan oa de tuinen erg beroemd zijn, en middenin het plaatsje zelf ligt het Zoutmuseum.

Over de betekenis van zout in ons lijf, ons leven, en onze geschiedenis, kom je van alles te weten in dit fris-ogende 3 etages hoge museum. Ze maken veel gebruik van moderne technieken als video’s,  animaties, maquettes en computerspelletjes.

Zout wordt nog steeds gewonnen -via dubbele pijpen halen ze pekel naar boven:water in de buitenpijp naar beneden, waardoor pekel in de binnenpijp naar boven komt-  maar ze halen daarbij niet alles uit de grond. Door dat winnen ontstaan er immers enorme holtes -cavernes- soms wel zo groot als een voetbalveld, en daar kun je natuurlijk bodemverzakkingen door krijgen. Nu al komen er aardschokken voor in het noorden van het land, maar in hoeverre dat aan de gas- en zoutwinning ligt is niet zeker. Maar dat de bodem daalt is wel zeker.

In Boekelo hadden ze vroeger een kuuroord met een golfslagbad: daar is inmiddels alleen maar een enkel hotel van over, en dat is wel jammer, want met de huidige wellness hype zou er waarschijnlijk best belangstelling voor een zout golfslagbad zijn en het is veel dichterbij dan de Dode zee. Ik heb ook geleerd dat ik ongeveer 16 kilo zout in het badwater moet doen om te blijven drijven, en dat is wel een beetje te

A.C. Fortgens. Vrouw van Lot

In het museum staat een prachtig beeld van de vrouw van Lot als zoutpilaar, gemaakt door A.C. Fortgens uit de kern van een boring. Met een heel mooie draaiing erin, echt heel mooi.

Ze hebben een verzameling van zo’n  2000  zoutvaatjes, een aantal kun je er ook kopen. Er bestaan ook zoutlampen, maar daar moet je mee uitkijken, want als er vocht in komt, kan daar een soort pekel uit komen druipen, en dat vernielt je meubilair wel 😉  .

Op de bovenste verdieping draait er een film: dit keer over de zoutmannen van Tibet, die zout schrapen uit een zoutmeer, een werk omgeven door allerlei rituelen.  (Vroeger deden vrouwen dat, nu mogen ze dat niet meer doen.) Waarschijnlijk is dit een samenvatting / stukje van de film van Ulrike Koch uit 1998.

Zout is onontbeerlijk, en blijkbaar moet je juist als je geen vleeseter bent dat extra toevoegen aan je dieet.
De ene cultuur komt er gemakkelijker aan dan de andere: wij strooien het zelfs op de weg …

Op de website van het museum was niet te zien welke film er nu precies draait.
Al die video’s en ander animaties die draaien maken wel geluid en dat leidt wel een beetje af als je net iets anders staat te lezen. (Ik ben echt veel meer tekstueel dan auditief ingesteld)

Conclusie: mooi, fris, instructief museum. Heldere en eenvoudige uitleg. De moeite waard.

Natuurhistorisch museum Natura Docet

Laat een reactie achter

(off–topic: ik ga eens stukjes schrijven over paar bezochte musea)

De Denekampse onderwijzer Bernink verzamelde een eeuw geleden al wat hem interesseerde en maakte daar een museum van: Natura Docet (de natuur onderwijst). Het is het oudste regionaal natuurhistorisch museum van Nederland en het is te vinden in een mooi gebouw in Denekamp (Twente).

Bernink was een tijdgenoot en bekende van Heimans en Thijsse, en net als zij met hart en ziel betrokken bij de natuureducatie. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij Jetses -van de schoolplaten- ook heeft gekend, en Ligthart. 19 september 2010 was de laatste dag van de Jetses tentoonstelling in het museum.

Bernink startte zijn museum in 1911, later financieel geholpen door textiel’magnaten’ en de provincie. Hij overleed in 1954, zijn dochter nam het over en renoveerde in  de 70er jaren naar de ideeën van die tijd.
Van 2002-2005 duurde de herstel renovatie.

Bij zo’n onderwerp hoort ook wel een klassieke inrichting met donker hout en glas, het deed me enigszins aan het Boerhaave museum denken. Voor de kinderen is er ook wat -klassiek- interactiefs te beleven. Het ziet er allemaal heel mooi en goed onderhouden uit.

Alles wat de natuur betrof interesseerde Bernink en verzamelde hij: flora en fauna, maar ook geologische verschijnselen, stenen en (informatie over) de ontwikkeling van het landschap. Persoonlijk heb ik altijd wat moeite met opgezette dieren, maar het verbaasde me wel hoe groot bijvoorbeeld een roerdomp is. Hele laden met vlinders, wel mooi, maar waarom nou een hele la met in mijn ogen allemaal dezelfde rouwmantels. Maar ja, het zal zijn doel wel hebben. Wat ik wel erg leuk vond was een voorbeeld van een minipaardje: blijkbaar waren de voorouders van onze paarden -die in mijn ogen enorm groot zijn- zelfs nog kleiner dan een hedendaagse keeshond.

Wat ik altijd heel interessant vind, maar moeilijk te bevatten is de ontwikkeling van het landschap. Ze hadden daar een hele zaal aan gewijd, compleet met diorama’s en veel tekst.
Het zou denk ik aanschouwelijk zijn als je een animatie had met daarin -heel erg versneld- de evolutie van het landschap door de eeuwen heen. Nu blijven het losse fragmenten met heel veel tekst. Al die tekst is wel goed, maar wel erg veel voor een eenmalig bezoek. Ik zou eigenlijk wel een boekje willen hebben met de teksten: misschien was dat er wel, maar heb ik eroverheen gekeken.

Er is een ‘Vrienden van’ vereniging en die is heel actief: ze geven ook een nieuwsbrief uit.
Bij de uitgang is een winkeltje met stenen en sieraden, en die zijn niet duur. Je kunt er een kopje koffie krijgen en de mensen zijn erg aardig. De website wordt heel goed actueel gehouden.

Conclusie: mooi museum, ze hebben erg veel en het ziet er goed uit, de moeite waard, een 8.