Vervolg: Meer Affiliaties in Scopus

2 Reacties

Kan een auteur meer dan 1 affiliatie hebben in Scopus? En hoe worden de artikelen toegekend aan een affiliatie? Voor het maken van overzichtjes is dat wel van belang.

Die vraag heb ik aan Elsevier gesteld en dit antwoord kreeg ik:

When an author publishes an article that is associated with two affiliations than the article can be found in both seperate affiliation-ID’s. When an author has two affiliations but only one is mentioned in the article than the article will only be listed in that one affiliation.

Daaruit concludeer ik dat het artikel de belangrijkste bron is: staan daar twee affiliaties in, dan zal je het artikel ook op beide vinden, zo niet, dan niet dus ….

Zoals Bert terecht constateerde staat bij  een auteur maar een affiliatie. Meerdere naamsvormen en -varianten van een affiliatie kun je vinden via

‘To ensure that you are viewing a complete list of documents for an affiliation, use the Find potential affiliation matches link to combine information from several affiliations on a single Affiliation details page.

maar hoe vind je nou meerdere Auteurs bij een Affiliatie als je overzichtjes wilt maken?
Als je een kleine organisatie heb, kun je ze eventueel handmatig toevoegen, maar voor een grote is dat ondoenlijk.

Conclusie: roep je medewerkers op altijd alle namen van de betrokken organisaties te vermelden!

——————————-

Aanvullende informatie van Elsevier:

De affiliation is altijd gebaseerd op het meest recent gepubliceerde artikel

Meerdere Affiliaties in Scopus

2 Reacties

Pijnlijk: iemand met een H-index van 54 over het hoofd zien als je een overzichtje van meest geciteerde medewerkers maakt …  maar dat overkwam me deze week wel. Oeps.
Hoe kan dat nou?

Scopus heeft een prima Affiliation search optie: en als je moeite doet kun je alle varianten van de naam van je organisatie bijeenvoegen tot een enkele.
Als je dat gedaan hebt kun je daarna eenvoudig een overzicht maken van de meest geciteerde mensen uit je organisatie desnoods beperkt tot een bepaalde tijdsperiode: je zoekt je organisatie op, gaat naar de documenten, sorteert op meest geciteerd et voila …

Dat had ik gedaan en  het resultaat in een blogpostje op onze site gezet.
En toen kreeg ik dus de reactie van iemand die in zijn eentje wel de hele top tien had kunnen vullen en die er niet bij zat …

Maar wat blijkt nou: de persoon in kwestie is niet alleen bij ons werkzaam maar ook verbonden aan een universiteit, en de naam van die universiteit stond in zijn profiel, en niet de onze.
Net zoals in de meeste artikelen van hem: daar was de naam van zijn universiteit vermeld, en niet die van ons: van de bijna 300 artikelen stond maar in 12 onze organisatie vermeld, en die werden door Scopus ook gevonden, maar daarmee kwam hij niet in de top 10 ;-) .
Waarschijnlijk geeft de adresvermelding in het artikel de doorslag voor de affiliatie.

Als je in Scopus bij het profiel van een auteur kijkt, kun je onderaan klikken op ‘ Show related affiliations’ en daar staan dan de andere affiliaties wel vermeld trouwens.

Kan een auteur eigenlijk meer dan een affiliatie hebben in Scopus? Ik weet het niet.
Eigenlijk ben ik ook wel benieuwd wat er dan gebeurt als iemand in zijn profiel twee affiliaties vermeld: zou dan, als in het artikel er maar een staat, ze bij beiden geteld worden?
Geen idee, heb het Scopus gevraagd, want uit de FAQ word ik wat dat betreft niet echt wijs. (Tegenwoordig duurt het even voor er antwoord op komt: ik zal het hieronder vermelden.)

En trouwens: hoe ga je daar eigenlijk bibliometrisch mee om?
Het komt bij ons best veel voor dat men ook verbonden is aan een universiteit: hoe krijg je mensen die wel bij ons werken en veel geciteerd worden maar hun primaire affiliatie elders hebben meegeteld, al is het maar voor een intern overzichtje?

 

Data Reuse and the Open Data Advantage, a work in progress

Laat een reactie achter

Research Remix lets us look in the kitchen writing blogposts about: #DraftInProgress

Data Reuse and the Open Data citation advantage

H-index en Impactfactoren

Laat een reactie achter

Nu de discussie over de h-index actueel is oa door een artikel in de NRC van zaterdag 17 maart 2012 (Noem jij mij dan noem ik jou) ben ik eens in de archieven gedoken en heb een oud artikel opgedoken uit Biomeditaties: ‘Hoe zit het nou met die impactfactoren’.
Dat heeft nog niets aan relevantie ingeboet.

De h-index wordt niet genoemd –bestond toen nog niet- en het gaat alleen over de impactfactoren, maar er ligt dezelfde problematiek aan ten grondslag.

Daar mijn h-index blogposts veel geraadpleegd en de Biomeditaties artikelen slecht gevonden worden maar eens integraal de hele tekst.

Pinboardverzameling

——————————————————————————————

Hoe zit het nou ook al weer met die impactfactoren

Verslag van de EAHIL lezing ‘Citation analysis of biomedical publications: a customer oriented service in medical libraries’ gehouden op 25 juni 1998 door Ulrich Korwitz en opgetekend door Dymphie van der Heyden

Tegenwoordig kennen steeds meer wetenschappers kennen de Impactfactoren. De wetenschap die deze gebruikt, wordt in de bibliotheekwereld aangeduid met het eigenaardige begrip ‘Bibliometrie’, een term die zelfs bij veel bibliothecarissen niet bekend is. Kennis hiervan is nodig om de gebruiker te adviseren bij de beoordeling van tijdschriften, en het kiezen in welk tijdschrift te publiceren. We zijn niet alleen passieve bewaarders van kennis meer, nu de gebruikers steeds gemakkelijker zelf de weg in de informatie weten te vinden. Wij moeten onze plaats duidelijk maken en inspelen op de behoefte die onze gebruikers nu hebben.

Het wordt steeds belangrijker voor researchers de impact van hun werk aan te kunnen geven om fondsen in de wacht te slepen of geld van industrie te krijgen. Het aantal gepubliceerde artikelen gaat steeds meer tellen: ‘publish or perish’, maar ook waarin gepubliceeerd is, wordt steeds belangrijker: bij voorkeur een tijdschrift met de hoogste impact.

De mogelijkheid om de relevantie van artikelen te bepalen is van belang voor wetenschappers, maar ook voor managers en uitgevers.

In 1975 startte Eugene Garfield met een index waarin ook de literatuurlijsten bij de artikelen werden opgenomen. Hierbij was het niet alleen mogelijk om via de verwijzingen andere literatuur over hetzelfde onderwerp te vinden, maar ook andersom: meer recente publicaties die naar bekende publicaties verwijzen. Met dit systeem was het ook mogelijk om patronen van citaties en het aantal citaties per artikel of tijdschrift te analyseren of te meten.

De Journal Citation Reports, (oorspronkelijk een van de onderdelen van de jaarcumulatie van de Science Citation Index, nu afzonderlijke verkrijgbaar op microfiche of op CD-Rom) geeft een overzicht van het citeren van ca. 4000 brontijdschriften en het hierin geciteerd worden van ca. 7000 tijdschriften.

Uit die gegevens wordt per tijdschrift de Impact factor berekend en wel als volgt.

Men neme:

  • Het aantal originele artikelen in een tijdschrift in 2 jaar
  • Het aantal citaties naar artikelen van dat tijdschrift gedurende 2 jaar

en dele de eerste door de tweede. Het resultaat van deze berekening is de Impactfactor (IF) die gebruikt wordt als ‘direct relevance scale’. De resultaten worden gepubliceerd in de ‘journal rankings’.

Die IFs gaan een eigen leven leiden. Het komt bijv. voor dat men van alle publicaties van auteurs van een instituut de IFs optelt en het resultaat daarvan laat bepalen hoe het geld over de afdelingen verdeeld wordt.

Het optellen van impactfactoren van tijdschriften waarin gepubliceerd wordt, levert weliswaar een ‘cijfer’ op, maar heeft weinig te maken met de artikelen zelf.

Er zijn een aantal argumenten aan te voeren tegen het al te veel belang hechten aan deze IF. Tegen pleiten bijvoorbeeld:

  • Zelfcitaties
  • Citation rings (jij citeert mij – en ik jou)
  • Boeken / conferentieverslagen etc tellen niet mee
  • ISI heeft 4669 tijdschriften die ze tellen. Waarom 4669? En waarom DEZE tijdschriften? In de biomedische wereld zijn er 25.000!
  • Te weinig niet-Amerikaanse tijdschriften aanwezig
  • Niet alle tijdschriften die in grote databasen aanwezig zijn, zitten er in
  • Review tijdschriften tellen te zwaar (die hebben immers maar heel weinig originele artikelen, en heel veel referenties. Er kunnen best maar 8 artikelen per nummer in staan met in totaal 4000 referenties: dat geeft een enorme IF. Een tijdschrift als Brain Res Rev heeft daardoor een onevenredig hoge IF.
  • Klinische tijdschriften tellen te weinig. Bij de nummers 1-50 in de lijst zit geen enkel klinisch tijdschrift
  • Verschillen in discipline: je kunt verschillende disciplines niet zomaar met elkaar vergelijken
  • Verschillen in ‘halfwaarde tijd’ van de informatie: die kan per discipline ook heel anders liggen
  • Titelwijzigingen: wat doe je daarmee? Grappig is dat BMJ bijv op een gegeven moment maar 0 referenties had, nadat ze net de titelwijzigingen van Br Med J naar BMJ hadden gemaakt. Toen hebben ze maar de IF van het jaar daarvoor genomen. Die policy wordt niet altijd consequent toegepast, maar om BMJ konden ze blijkbaar niet heen
  • Nieuwe tijdschriften tellen pas na 2 jaar mee: de eerste twee jaren per definitie niet, en hebben dan DUS geen IF
  • Beschikbaarheid van tijdschriften maakt een verschil: als een tijdschrift niet/weinig beschikbaar is, kan het DUS ook niet gelezen en geciteerd worden
  • Kosten van tijdschriften: dure tijdschriften opzeggen: niet beschikbaar, dus…
  • Fouten bij ISI
  • ‘Geciteerd’ wil nog niet zeggen ‘van belang’!

Een bekende uitspraak van Garfield zelf: ‘To be an uncited scientist is no cause for shame’ (1991), aangezien meer dan de helft van de publicaties nooit geciteerd wordt.

Een belangrijk punt van kritiek is ook dat impact meer dan alleen wetenschappelijke impact is: er is ook zoiets als politieke en praktische (klinische) impact. Die meet je hiermee niet.

Daarnaast is er een indeling naar rubrieken/categorieën: wie bepaalt welk tijdschrift in welke rubriek thuishoort? Dat is van belang bij de ‘subject ranking’: daar wordt per rubriek een lijstje van belangrijkheid gegeven. Afhankelijk van het soort rubriek kan hetzelfde tijdschrift hoog of laag in de lijst staan. Met name experimentele tijdschriften staan vaak ook in klinische rubrieken en daardoor komen de typisch klinische tijdschriften vaak onderin die lijst te staan.

Advies: deel niet alleen maar lijstje met Impactfactoren uit, maar vertel er ook bij wat ermee aan de hand is.

Constructed Impact Factor (CIF)

Er zijn tijdschriften die niet in de ISI zitten, maar wel in Medline , EMBASE of BIOSIS. Daar kun je zelf de IF van berekenen, dat geeft een veel beter beeld over het totale pakket tijdschriften en artikelen1.

  • Je telt het aantal artikelen over twee jaar
  • Via SCI zoek je uit hoeveel citaten er zijn
  • Haal zelfcitaten eruit (auteur citeert zichzelf)
  • Deel ze op elkaar en je hebt de CIF: Constructed impact factor!

Persoonlijke IF

Berekenen de persoonlijke IF van alle wetenschappers in een instituut:

    • Zoek op alle vormen van de naam met alle voorletters (pas op met diakrieten)
    • Zoek in de SCI via handsearch hoe vaak ze geciteerd zijn (soms maakt het uit of men wel of niet de eerste auteur is: vraag dat na)
    • Zelfcitering niet meetellen, en herhaalde citering van collega’s ook niet (met handsearch kun je die gemakkelijk uitsluiten

Instituuts IF

Dit kan heel belangrijk zijn voor een instituut.

Wat je nodig hebt zijn alle variaties waarin de naam van het instituut voorkomt (land-plaats-naam). Daarna kijken hoe vaak deze zijn geciteerd in de wereldliteratuur.

Op deze manier maak je jezelf en je bibliotheek onvervangbaar!


Discussie

Bijna alle deelnemers hebben de ISI lijsten wel gebruikt. In Duitsland geldt dat ook voor de meeste medisch bibliothecarissen, maar: de meesten zullen alleen de cijfers geven, en er niet de toegevoegde waarde bijsluiten, die een bibliothecaris erbij zou moeten geven.

  •  Hoe weet je in welke rubrieken een tijdschrift is ingedeeld? Tijdschrift kan in 1 rubriek tot de top behoren en met dezelfde IF in een andere rubriek veel lager scoren.

A Er is een alfabetische index waarin staat in welke rubrieken een titel is ingedeeld

  • ISI files zijn volledig onbetrouwbaar! Er staan heel veel fouten in en er worden dingen dubbel geteld. Is het bekend hoeveel procent van de daadwerkelijke

hoeveelheid informatie betrokken is in deze IF?

A: Nee

  • De brieven worden niet meegeteld bij het tellen van het aantal artikelen. Geldt dat voor de brieven als bron of als ‘cited’

A: als bron

Opmerkingen:

  • De verschillen in halfwaardetijd van de verschillende disciplines zijn heel groot: ze zijn niet te vergelijken
  • Je kunt wel wijzen op de valkuilen van dit systeem, maar men luistert niet
  • ‘SCI is an excellent servant but a very bad master’
  • Bij literatuuronderzoek in bibliotheek-tijdschriften blijkt keer op keer dat bibliometrische methoden niet gebruikt kunnen worden om kwaliteit te bepalen
  • Als je zelf een search doet om een CIF te maken, ligt het ook aan de database die je benadert wat het resultaat is. In de psychologie bijvoorbeeld is het helemaal niet bruikbaar
  • Veel researchers in niet-klinische settings vinden het steeds moeilijker om te publiceren, omdat hun publicatie door peer-reviewers, die een gooi doen naar dezelfde fondsen, wordt afgewezen!
  • Niet publiceren, betekent ook niet geciteerd worden, dus een lagere IF, dus nog minder budget ….. Zij publiceren wel vaak in congresverslagen, maar die tellen weer niet mee.
  • De laatste naam van een lijst is vaak het hoofd van een instituut. Dat wordt gedaan om zo de IF van het instituut op te krikken. Volgens de richtlijnen mag dat niet: alleen auteurs die daadwerkelijk aan de totstandkoming van het artikel hebben bijgedragen mogen als auteur genoemd worden

Literatuur:

Crul BVM. Publiceren voor wie? (Hoofdredactioneel) Med Contact 1998;53(4):447

Polderman A. Schrijven om te mogen blijven. Natuur en techniek 1998;66(3):89-93

Stegmann J How to evaluate impact factors. Nature 1997;390:550

Visser HKA. Het belang van publiceren in Nederlandse wetenschappelijke tijdschriften met een extern beoordelingssysteem Nederl tijdschr geneeskd 1998;142:798-801

Oorspronkelijk gepubliceerd in:
Biomeditaties 1998 EAHIL nummer 17-19

Kun je Google Scholar gebruiken voor Bibliometrisch onderzoek

Laat een reactie achter

Google Citations toont in elk profiel wel citatiegegevens, maar kun je het echt gebruiken voor bibliometrisch onderzoek?
Met Harzing’s  Publish or Perish kun je wel wat bewerkingen uitvoeren maar het blijft oppassen geblazen.

De belangrijkste beperkingen van Google Scholar (en Citations) zitten hem in de kwaliteit en instabiliteit van de data: deze zijn niet altijd wetenschappelijk, onduidelijk uit welke bronnen,  zelf-citaties en doubletten komen voor, gebrek aan normalisatie en willekeur in ‘merging’ van documenten.

Nadelig is ook: een vaste sortering, 1000 documenten maximaal, gebrek aan woordcontrole en te weinig bewerkingsmogelijkheden, maar het allerergste is de onmogelijkheid tot downloaden van datasets.

Users, narcissism and control – tracking the impact of scholarly publications in the 21st century p 17-21

#emtacl10: Bramer over presentation articles

Laat een reactie achter

Scientific output on Erasmus MC website and the use of XML: An easy way to manage and standardise the presentation of department’s journal articles
Wichor Bramer
(Erasmus Medical Centre Library)

twitter - weblogpresentatie

Erasmus publiceert 3000 artikelen in 2009

Wacht niet tot de gebruikers naar je toe komen, maar volg ze.

Onderwijs is ook veranderd, bibliotheek is ook geen stiltekamer meer, je mag er eten en drinken, alleen geen mobiele telefoon gebruiken. (wel als je niet belt hoop ik ;-))

  • Begin klein
  • bespaar tijd voor je klanten

De afdelingen verzamelen de artikelen in METIS: daar zit een financiële reden achter. Maar voor de website wilden ze ook lijsten hebben, en er zijn meer dan 100 afdelingen. Allerlei afdelingen deden dat anders, en vaak wilden ze er wel een Pubmed link achter hebben per titel dus dat was nogal tijdverslindend.   En bovendien zit je vast aan de beperkingen van je systeem.

De manier van uitvoer is waarschijnlijk gemaakt via Endnote, en daar kun je gebruik van maken. Voor de mensen die Word gebruiken kun je via hubmed een nette referentielijst krijgen.  Het is eigenlijk best een gecompliceerde handleiding geworden.

De zoekacties deden ze via Scopus omdat je daar authorIDs hebt, daarmee helpt de bibliotheek. Die worden uitgevoerd naar Endnote. Via Endnote krijg je dan een XML en XMLT om een website te genereren.

Uiteraard zullen de meeste mensen niet naar de website gaan voor deze lijsten, maar als je gebruikers dat nou willen, waarom zou je dat dan niet doen?

  • multiple pages  via 1 XML document
  • XSLT per jaar splitsen

Is dit nou een goed idee om te doen. Dat is natuurlijk wel een open vraag. het is wel inside out.
Doen we het op de goede schaal? dat kan misschien wel aangepast worden

In de toekomst:

  • extract XML data to database
  • generate researcher pages with automated publication lists
  • import XML data into Metis financial reward system

Goede vraag van Pascal: waarom geen zoekactie op auteur doen en daarvan een RSS op de site zetten?
Ant; via  Pubmed kun je niet alles vinden. (Blijkbaar kun je via EndNote geen RSS feeds genereren)

——————————–

Vraag van mij die ik niet gesteld heb: waarom geen database?
Of: via RefShare zou je links naar  folders (per afdeling bijv) online kunnen zetten

#emtacl10: RefMobile

Laat een reactie achter

The impact of going mobile: RefMobile
Martin Blomkvist
(ProQuest)

RefmobileWorking with RefMobileTwitter

Refworks is in 2009 met een mobiele versie begonnen; het paste in hun scala van ontwikkelingen.

Web-based systeem van referentie management, in mei komt de nieuwe lay-out online. De huidige ziet er inderdaad wat ouderwets uit.

Er zijn meer dan 3 miljoen gebruikers, en ze hanteren 9 talen. Geen van de concurrenten heeft nog een mobiele versie. 80% van hn gebruikers hebben een hogere opleiding.

De vraag was: voor welk platform gaan we ontwikkelen?  Maar 3% gebruikt iphone, daarnaast veel anderen Blackberry, dus een web platform was wel voor de hand liggend om alle gebruikers te kunnen bereiken.

Wat wil je gebruiken op een klein scherm zien / wat heb je ‘onderweg’ nodig?

  • folders
  • alle references kunnen zien
  • toevoegen van references via smart ADD: toevoegen via Pubmed ID. ISBN of zoiets
  • kleine notes kun je toevoegen

Ze verwachten een forse toename van het gebruik aan het einde van het jaar. Het is gratis voor RefWorks gebruikers.

Eind dit jaar komt er een iPhone app voor.

De groepscodes mag uitgegeven worden aan je eindgebruikers.

Mobiele app: RefWorks

2 Reacties

RefWorks is ook in mobiele variant te krijgen: er zijn geen speciale apps voor, maar het werkt zowel op de iphone als op de  Android (en ook op een telefoon met en internet toegang). Je kunt de site benaderen via http://www.refworks.com/mobile/ : dan zie je ook meteen hoe hij overkomt op de mobiel.

Je moet altijd met de Groupscode inloggen. De mogelijkheden:

  • zoeken alleen de quick search, niet de advanced
  • references en attachments kun je bekijken
  • folders toevoegen
  • zoek / bekijk per folder
  • de notes kun  je toevoegen
  • de folders kun je bekijken, toevoegen en wijzigen
  • via SmartAdd kun je referenties zoeken en toevoegen

Wat niet kan zijn de connecties met Word onderhouden, sorteren, settings aanpassen, records zelf wijzigen e.d. Uiteraard kun je ook geen file inlezen: daarvoor heb je de ‘full-version’ nodig.

Toevoegen van referenties gaat via ‘SmartAdd:

With SmartAdd, users simply enter basic identifying information for a publication, such as ISBN number, digital object identifier (DOI) number, partial title, or author and publication year, and SmartAdd searches the Internet for the reference and import it to RefWorks..

Als je gegevens via auteur + jaar invoert, krijg je soms een aantal mogelijke titels waar je uit kunt kiezen.  Het kan wel voorkomen dat de gewenste titel er niet bij zit: -ook bij zoeken op DOI-  in dat geval moet je ze via de full-versie toevoegen. Het is mijn ervaring dat niet alle artikelen die bijv. in Scopus zitten ook op deze manier te vinden zijn: waar RefWorks de titels vandaan haalt is me niet helemaal duidelijk -ik vermoed uit een Proquest database- , maar als hij ze vindt, zijn ze wel erg compleet.

Het werkt goed. Indien  je een foutje maakt wordt je zoekboxje roodomrand.
In mijn  testen is er een lichte discrepantie tussen wat het systeem via de ‘Quick search’ in de ‘full-version’ vindt en wat hij vindt in de mobiele versie, maar eigenlijk bleek de mobiele de juiste resultaten te geven. Prima dus.

Zie verder info van RefWorks:

Bibliotheken – Publicaties in November 2009

Laat een reactie achter

Er is tegenwoordig meer aandacht voor de architectuur van de bibliotheek, dan voor de bestaansreden van de bibliotheek zelf, zoals Johan Velter in een verder wat merkwaardige post opmerkt.
Er was een prima NVB congres, waar Zijlmo en  ik life hebben geblogd,  de Presentaties staan online en er zijn overzichten van oa  Ecobibl, Tenaanval en BiepmiepleenLaikas heeft zelf een praatje gehouden en daarover geblogd. Er is wel veel geTwitterd (Blogparty), en dat voegde tijdens het congres echt wat toe, maar ik heb niemand gezien met een Poken.
We mogen best wat trotser op ons werk zijn zegt Ziijlmo terecht en roept op om, wanneer je iets post over je werk als informatiespecialist, dan de tag #infospec mee te geven. Want onbekend = onbemind, en wie snapt nog wat wij eigenlijk doen?. (De WordPress spellchecker vindt het zelfs geen goed woord: informatiespecialist)

Het rommelt erg, er is van alles aan de hand:

Bibliotheken / informatiespecialisten

Open access / wetenschap / data

the collection of essays expands on the vision of pioneering computer scientist Jim Gray for a new, fourth paradigm of discovery based on data-intensive science and offers insights into how it can be fully realized

most consumers (80%) say they wouldn’t bother to access newspaper and magazine content online if it were no longer free …  not even micropayments

‘one-size-fits-all’ information and data sharing policies are not achieving scientifically productive and cost-efficient information use in life sciences

Boeken / tijdschriften / kranten

Citaties

In het algemeen geldt voor de sociale en geesteswetenschappen dat boeken tegenwoordig even belangrijk zijn als twintig jaar geleden. Tijdschriftartikelen hebben de plaats van boeken niet ingenomen, omdat beide publicatieformaten uiteenlopende doelstellingen dienen. Een zorgwekkende waarneming is dat in alle vier disciplines de gemiddelde citaatleeftijd van boeken verouderd is, dit in tegenstelling tot tijdschriften waar de gemiddelde leeftijd gelijk gebleven is.

Databases

  • Na een poos weer eens Refworks opgestart en het viel me niet mee. Het ziet er eigenlijk niet mooi uit, en erger: tot drie keer aan toe een dagenlang durende storing …   De risico’s van cloud computing worden zo wel erg aanschouwelijk.
  • Mobile Search of IEEE Xplore ® Digital Library Now Available Ik hoop wel dat ze wat aan de performance hebben gedaan: hun gewone zoekmachine is al zo traag

In november: Google / zoeken en Twitter / web 2.0 overzichtspost